Mijn vrouw is toch geen fabriek? - het verhaal van Ismael Khan
De twee kinderen zitten gefascineerd naar de televisie te kijken,alhoewel ze de visite minstens even interessant lijken te vinden. De driejarige Said biedt een koekje aan. Als hij merkt dat deze geste wordt gewaardeerd, houdt hij dat consequent het hele gesprek vol, terwijl hij met warme, donkere ogen om aandacht bedelt. De oudste, een meisje, is inmiddels negen. De zwangerschap verliep niet goed. Mevrouw Khan viel keer op keer flauw. In het ziekenhuis kreeg het echtpaar te horen dat ze een bloedziekte hadden, bèta-thalassemie. Bij deze ziekte is het gehalte aan hemoglobine, Hb, lager dan bij gezonde mensen. Ismael Khan en zijn vrouw hadden er nog nooit van gehoord en vroegen: wat moeten we doen en wat gebeurt er met ons kind? Er zijn twee mogelijkheden, zei de arts. Of het kind is honderd procent gezond, of het kind wordt net als jullie. Gelukkig deed het eerste zich voor. Een volledig gezonde dochter. De kinderarts adviseerde nog een keer terug te komen als het meisje anderhalf was. Zo gezegd, zo gedaan en ook toen bleek dat hun dochter helemaal gezond was. De Khans zijn vluchtelingen en hebben nog niet zo lang politiek asiel. Nog steeds hapert hun Nederlands af en toe dus zal hun taalgebruik destijds ongetwijfeld nog heel wat minder goed zijn geweest. Toch is het echtpaar er honderd procent zeker van dat hen niet is verteld hoe de erfelijkheid van thalassemie in elkaar steekt. Na vier jaar wilden de Khans nog een kind en vroegen aan hun artsen of dat kon. Ja hoor, kregen ze te horen, geen probleem. Pas nadat Said was geboren en thalassemie bleek te hebben, werd het goed aan zijn vader uitgelegd. Ismael Khan haalt het papiertje tevoorschijn waarop het allemaal is uitgelegd en voorgetekend: wanneer beide ouders drager van de ziekte zijn, is er 25 procent kans op een volledig gezond kind, 50 procent kans dat het kind ook een drager is plus 25 procent kans dat het kind ziek is. Dat laatste is hen destijds niet verteld. Het papiertje waarop de primitieve tekening staat, wordt gekoesterd alsof het een kroonjuweel is. Als de verslaggever er een kleine aantekening op wil maken, schrikt Ismael: ‘Nee, nee, nee!’